Welkom

Beste Lezer,

Al enige tijd filosofeer ik over zingen. Dat was in eerste instantie voor de Nieuwsbrief van het Roois Gemengd Koor waar ik al lang bij zing.

Ik dacht over dat onderwerp wel wat te vinden in de filosofische literatuur, met name bij fenomenologen, maar dat viel tegen. Over taal is er al veel geschreven door filosofen, ook over muziek is wel gefilosofeerd, vooral over het effect daarvan op luisteraars, maar over het feit dat mensen zingen is nauwelijks iets te vinden. Daarom besloot ik zelf maar te gaan zoeken, denken en schrijven.

Dat heeft geresulteerd in een aanzienlijk aantal stukjes voor de Nieuwsbrief van het koor. Hoewel het denkproces nog niet af is naar mijn gevoel, wilde ik mijn ideeën toch beschikbaar stellen voor een groter publiek. Een boek zit er voorlopig niet in. Het Nederlandstalig publiek is daarvoor te klein en een subsidieaanvraag werd afgewezen. Daarom deze blog.

Ik zal de stukjes die ik schreef in een herziene versie hierop publiceren. Ik hoop dat mensen die op één of andere manier bezig zijn met zingen er wat aan hebben. Ook hoop ik dat mijn gedachten aangevuld worden door lezers vanuit hun eigen deskundigheid. Ik ben geen musicoloog en kwam bij het schrijven ook de grenzen van mijn deskundigheid tegen. Anderen kunnen het denkproces verder helpen, zodat dit een onderneming wordt van meer mensen. Misschien leidt dit ook tot een echte samenwerking.
Als je wil reageren of een stuk wil toevoegen, klik dan op ´reacties´na één van de stukken.

Denk eraan dat deze teksten beschermd zijn door het auteursrecht. Gelieve alleen teksten over te nemen na mijn toestemming. Neem daarvoor met mij contact op.


Als toetje neem ik regelmatig gedichten op bij de afleveringen. Als er geen naam bij staat is het van mezelf.

Op de blog staan de bijdragen in omgekeerde volgorde. In het archief heb je een overzicht in de logische volgorde als je ook de voorgaande maanden opent.

maandag 16 november 2015

Toon Hermans zingt en schrijft

In de bundel van Toon Hermans Het water is heerlijk  (De Fontein 1993) vond ik twee stukjes die filosofietjes bevatten van Toon over zingen. Ze sluiten aan bij eerdere stukjes van dit blog.

Liedjes
(zie o.a. de blogs 2 en 12)

Liedjes maken m’n lichaam licht en m’n geest jong. Als een vogel hoor ik m’n stem om mij heen fladderen. ’n Beetje bewusteloos ben ik als ik zing. ’n Beetje weg, waar ik ben kan ik niet zeggen. Ik voel niet meer wat m’n lichaam doet, m’n armen en benen dringen niet meer tot me door. Ik zet niets in beweging. Dat doet het zelf. Of de muziek misschien? Of het licht? Of de mensen die naar me kijken? Ik heb geen idee.

Muziek doet iets met me, ja, zelfs iets lichamelijks. De klank rolt over je heen, rolt als water over je lijf. Warm behaaglijk water, of je drinkt de klank op als wijn. Je wast er je haren mee. De kracht van het onzichtbare en het onraakbare raakt je aan en het is alsof je de muziek toch grijpen kunt met je handen en weer weg kunt gooien, de lucht in als confetti, serpentine, of gewoon als een handvol verdriet. Je kunt huppelen als een zot als het ritme je raakt. Je kunt ook op het ritme gaan zitten en dan strelen de noten je gebeente.

Als ik in ’n liedje ben, ben ik helemaal in. Ik doe de deur achter me dicht en leef er even in en wil het beleven van de ene noot naar de andere, van de ene lettergreep naar de andere. M’n adem, m’n hartslag, van kop tot teen ben ik ergens in. In ’n ruimte die ik niet ken, maar van zo’n intense warmte. Ik ben eraan verslaafd. Is dit bezieling misschien?


Als ik zing gebeurt er iets met me wat ik zelf niet gebeuren laat en toch gebeurt het. Op die plek daar midden op die bühne. De witte cirkel van de spot grijpt je bij je lurven en je laat maar met je sollen. Mooi! Ik koester mijn lieve geheim.


Neurielogie
(zie de blogs 10 en 16)

De zaal was goed gevuld, maar toen hij moest zingen, was hij plotseling zijn stem kwijt. Hij begon te neuriën en dacht: misschien komt mijn stem wel  terug onderweg. Maar ze kwam niet terug en hij bleef verder neuriën. Na het eerste lied kwam er een soort beleefdheidsapplausje. Het tweede, dat een zeer verstild stukje was, zette hij wederom neuriënd in en het klonk aanmerkelijk mooier dan het eerste. Het gaat goed, dacht jij, en neuriede voort.
Gaandeweg bracht hij in zijn geneurie velerlei nuances aan. Hij proefde de haast onhoorbare pianissimo’s op het puntje van zijn tong en zijn neus begon te trillen als er een forte kwam.
Tijdens het derde liedje ontstond in de zaal een ongekende rust. Liedjes zonder woorden kregen een eigen betekenis; het ging nergens over en toch ergens over; het ging eigenlijk over van alles en nog wat. Je kreeg in je oren niet de voorgeschreven tekst, maar je hoorte wat je er zelf van wilde maken. En de zanger neuriede voort.
De avond werd een groot succes en in de pauze sprak men enthousiast over deze min of meer avantgardistische happening. Het bleek de eerste stap te zijn geweest voor een neuriecultuur. Uit alle delen van het land meldden zich neuriërs en neuriesters op het zangpodium. Het werd een rage. Mondiaal kwamen de neuriegroepen als paddestoelen uit de grond.
Het publiek ging in grote getale geloven dat de teksten overbodig waren en wat was te voorzien gebeurde: ook de spraakzaamheid van de massa zelf nam af. Zelfs de verliefden neurieden tegen elkaar wat ze te zeggen hadden,
Neurielogie werd een studie en bracht aan het licht dat de menselijke stem, zonder woorden, in louter klanken, meer mogelijkheden heeft. Het neuriën groeide uit tot een enorm klankmozaïek. En de zanger die er zijn beroemdheid aan te danken had zei: ‘Zo zie je maar dat kleine oorzaken soms grote gevolgen kunnen hebben. Wie wat verliest heeft wat!’.


Geen opmerkingen: