Welkom

Beste Lezer,

Al enige tijd filosofeer ik over zingen. Dat was in eerste instantie voor de Nieuwsbrief van het Roois Gemengd Koor waar ik al lang bij zing.

Ik dacht over dat onderwerp wel wat te vinden in de filosofische literatuur, met name bij fenomenologen, maar dat viel tegen. Over taal is er al veel geschreven door filosofen, ook over muziek is wel gefilosofeerd, vooral over het effect daarvan op luisteraars, maar over het feit dat mensen zingen is nauwelijks iets te vinden. Daarom besloot ik zelf maar te gaan zoeken, denken en schrijven.

Dat heeft geresulteerd in een aanzienlijk aantal stukjes voor de Nieuwsbrief van het koor. Hoewel het denkproces nog niet af is naar mijn gevoel, wilde ik mijn ideeën toch beschikbaar stellen voor een groter publiek. Een boek zit er voorlopig niet in. Het Nederlandstalig publiek is daarvoor te klein en een subsidieaanvraag werd afgewezen. Daarom deze blog.

Ik zal de stukjes die ik schreef in een herziene versie hierop publiceren. Ik hoop dat mensen die op één of andere manier bezig zijn met zingen er wat aan hebben. Ook hoop ik dat mijn gedachten aangevuld worden door lezers vanuit hun eigen deskundigheid. Ik ben geen musicoloog en kwam bij het schrijven ook de grenzen van mijn deskundigheid tegen. Anderen kunnen het denkproces verder helpen, zodat dit een onderneming wordt van meer mensen. Misschien leidt dit ook tot een echte samenwerking.
Als je wil reageren of een stuk wil toevoegen, klik dan op ´reacties´na één van de stukken.

Denk eraan dat deze teksten beschermd zijn door het auteursrecht. Gelieve alleen teksten over te nemen na mijn toestemming. Neem daarvoor met mij contact op.


Als toetje neem ik regelmatig gedichten op bij de afleveringen. Als er geen naam bij staat is het van mezelf.

Op de blog staan de bijdragen in omgekeerde volgorde. In het archief heb je een overzicht in de logische volgorde als je ook de voorgaande maanden opent.

donderdag 1 december 2011

15. Het koor als klankspiegel


In vorige aflevering liepen we doorheen de geschiedenis van het zingen in koor. Het koor heeft in de loop van die geschiedenis een zeer wisselende betekenis gehad en het koor zoals wij het nu kennen is een vrij recent verschijnsel (ongeveer 200 jaar). Het is de moderne vorm van het samen zingen van mensen. Dat samen zingen is wel een typisch menselijk verschijnsel met een diepe betekenis. Dit keer een benadering vanuit de psychoanalyse, zonder daarbij de technische termen te gebruiken. Onze gids is weer de Franse psychiater Marie-France Castarède (zie aflevering 2). In haar boek Le miroir sonore reflecteert ze op haar vele jaren koorervaring het licht van de psychoanalyse.


De groep

Mensen hebben behoefte aan een groep. Dat lijkt in onze tijd van individualisering minder het geval, maar uit de psychische problemen die de individualisering meebrengt blijkt hoe belangrijk die behoefte is. In de groep zoekt een mens de oorspronkelijke geborgenheid terug die hij ervaren heeft in de eerste binding met zijn moeder. Als de moeder er niet meer altijd is, is dat een eerste crisis waarmee een kind geconfronteerd wordt. Geleidelijk verschijnen andere mensen die vertrouwd worden en die met de moeder of in plaats daarvan een veilige omgeving vormen. Als dat niet zo is kan dat een blijvend trauma veroorzaken in het leven van een mens. 

De geborgenheid gaat wel ten koste van de vrijheid. De groep waartoe je behoort kan zelfs zeer dwingend en onderdrukkend zijn en daardoor zelf trauma’s veroorzaken. De laatste 100 jaar is de druk van het sociale milieu bij ons sterk verminderd, maar hij is zeker niet verdwenen. Soms is die druk nog verborgen aanwezig, bijvoorbeeld bij beroepskeuze of keuze van een partner. In bepaalde milieus, bijvoorbeeld zigeuners, en bepaalde kerken met strenge morele opvattingen is die druk nog zeer duidelijk.

Verbeelding

Het behoren tot een groep is niet voldoende voor een gezond psychisch leven. Volgens de grondlegger van de psychoanalyse. Sigmund Freud, heeft een mens ook behoefte aan verbeelding (‘illusie’). Naarmate een mens opgroeit ontdekt hij immers dat het leven geen aards paradijs is: zijn wensen worden niet allemaal vervuld, de mensen om hem heen hebben hun eigen wensen en hun eigen agenda, hij ervaart kwaad en lijden. Om hiermee te kunnen leven moet een mens zich een werkelijkheid verbeelden die beter is dan de feiten, een toekomst waar hij naar kan streven. Freud ziet vooral drie vormen van verbeelding die een grote rol spelen bij mensen: godsdienst, filosofie en kunst. Deze verbeelding speelt een grote rol in de groepen waarin mensen zich ‘thuis’voelen. Zo geeft een mens zin en waarde aan zijn leven.

In godsdienst en filosofie (ideologie) hebben mensen echter de neiging te vergeten dat het verbeelding is en de beelden en ideeën als harde waarheden te gaan zien. De kinderlijke verlangens naar veiligheid en geborgenheid verdringen dan de realiteit. Dat leidt tot onderdrukking van de vrijheid van denken en tot vijanddenken: wie deze waarheden niet accepteert is fout en is vijand. Groepsleden met afwijkende meningen (beelden) worden uitgestoten. In plaats van voertuigen van de levensdrift worden ideaalbeelden en toekomstbeelden dan voertuigen van de doodsdrift. Dat zijn immers de twee driften die in een mensenleven altijd met elkaar strijden. 
Bij de verbeelding in de kunst speelt dit echter niet. De kunstenaar blijft zich bewust van het feit dat zijn kunstwerken gedragen worden door verbeelding. Alleen als kunst in dienst wordt gesteld van godsdienst of ideologie duikt het probleem weer op, krijgen heiligenbeelden magische kracht en spreekt men van ‘entartete Kunst’ (Nazi-Duitsland).

Met kunstwerken creëert een mens een wereld tussen de harde werkelijkheid en de ideale wereld van zijn wensen. Zoals een mens in zijn dromen zijn ervaringen van de dag verwerkt, zo verwerkt hij in zijn kunst zijn wensdromen met zijn feitelijke ervaringen van het werkelijke leven. Een kunstwerk is een dagdroom waarin de kinderlijke verlangens naar almacht en volmaaktheid kunnen doorwerken zonder tot fanatisme te leiden. Kunst hoort tot dezelfde wereld als het spel, waarin kind en volwassenen hun grootse ideeën en wensen volop kunnen uitleven.

Het koor

Tegen bovenstaande achtergrond kan zingen in een koor een zeer aparte betekenis hebben voor mensen. Dat geldt vooral voor koren die niet zozeer op prestatie gericht zijn, eerder op het genoegen om samen te zingen. Vooral dus amateurkoren. In zulk koor kunnen natuurlijk allerlei spanningen optreden en het samen zingen zal lang niet altijd even goed lukken en even aangenaam zijn. Als het echter goed gaat in zulk koor, dan kan het een fundamentele bijdrage leveren tot menselijk welbevinden en gezondheid. Het samen zingen vormt dan een soort eenheid die uniek is. 

In de muziek verenigen de koorleden zich in muziek die hen aanspreekt, die hun hart raakt. Dat zal niet bij alle gekozen muziekstukken en bij alle koorleden even gemakkelijk gaan. Soms moet je een drempel over om een muziekstuk te kunnen smaken en aanvoelen, maar zo ontdek je als koorlid soms nieuwe ruimte en nieuwe mogelijkheden in jezelf. Het gebeurt dat je een stuk meezingt omdat het nu eenmaal gekozen is door de dirigent, zonder dat je er echt verwantschap mee krijgt, maar als dat vaak gebeurt, dan verlaat je het koor en zoek je een koor waarvan het repertoire beter bij je past.

Muziek is de oertaal van mensen. Dat heeft Stephen Mithen duidelijk aangetoond in zijn boek The singing neanderthals. De eenheid die samen zingen tot stand kan brengen is daarom zeer fundamenteel, een eenheid van gevoel, niet van spreken of denken. Dat lukt niet altijd en het vraagt oefening van mensen die altijd in woorden en gedachten leven. Het vraagt openheid voor gevoel en bereidheid dat met anderen te delen. Daarom is de sfeer zeer belangrijk in een koor. Als er veel spanningen zijn, als er vlakbij mensen staan die je niet kunt hebben, dan lukt het niet. Bij een uitvoering merkt het publiek ook of de sfeer goed is en ook bij professionele koren merk je dat de muziek niet echt raakt als de menselijke relaties in het koor niet goed zijn.

Meerstemmige harmonie

Het is interessant op te merken hoe de eenheid in de muziek een ontwikkeling heeft doorgemaakt die parallel loopt met de algemene culturele ontwikkelingen. In de oudheid is er alleen eenstemmige muziek, eventueel gekleurd door het verschil tussen de stemmen van mannen en vrouwen. Vanaf het moment dat de individuele verschillen tussen mensen aandacht krijgen ontstaat stilaan meerstemmigheid. De eenvoudige eenheid van de eenstemmige zang wordt stap voor stap een rijke harmonie. Het boeiende is, dat de stemmen die meer en meer naast en door elkaar heen klinken niet tot minder eenheid leiden als het goed is maar tot een veel rijkere eenheid. 

In de moderne koorzang kunnen zangers meer dan vroeger zichzelf zijn en hun eigen inbreng hebben. De kunst is deze in te voegen in het grote geheel. Daarom zijn mensen met een krachtige stem lang niet altijd de beste koorzangers, zeker niet als zij denken dat zij hun partij moeten redden omdat anderen het volgens hen laten afweten. Zulke mensen kunnen het zanggenot van de andere zangers bederven en dragen niet bij tot een gelukte uitvoering. Luisteren is in een koor net zo belangrijk als zingen.

Geslaagde koorzang is als een wonderlijke klankspiegel. In en door deze spiegel kun je als mens zien en ervaren wie je eigenlijk bent. Je ervaart je wezenlijke verbondenheid met mensen, je binding met het verleden maar ook de eigenheid van het heden en van je eigen cultuur. Als je oplet leer je jezelf kennen in de muziek die je aantrekt of afstoot, in de mensen waarmee je graag zing en anderen die je liever op afstand houdt.

De dirigent

Een goede dirigent is daarbij onontbeerlijk. Hij moet een gepast repertoire selecteren en de techniek beheersen van het stemgebruik, het instuderen van de stukken en het slaan van de maat. Daarnaast weet een goede dirigent het gevoel van de muziek over te dragen, soms vanuit de tekst, soms met een verhaal, soms met zijn gebaren en mimiek. Hij is als een vroedvrouw die de muziek uit het koor geboren laat worden, soms als vanzelf soms met veel pijn en moeite. Dat doet hij met twee handen: meestal de rechterhand voor de techniek, de linker voor het gevoel. 

Vooral ook brengt een goede dirigent de zangers tot elkaar als mens door de wijze waarop hij met hen omgaat. Hoe belangrijk dit is volgt uit wat hierboven beschreven werd. Dat hoeft niet persé in de stijl van ‘dikke mik’ te zijn, het kan met weinig woorden. Het gaat erom de zangers uit te dagen om boven zichzelf uit te stijgen en tegelijk hen te respecteren in hun eigen karakter en mogelijkheden. Vooral in een amateurkoor is dit uitermate belangrijk, maar ook in een professioneel koor klinkt de harmonie van het samenwerken door in de muziek die eruit komt.
Voor onze dirigent Ad van de Wetering schreef ik het volgende gedicht bij zijn afscheid.


Dirigent

Als een vroedvrouw
laat je klank tot leven komen
in een harmonie van zielen
uit een rijke schat van eeuwen.

Je zaait bezieling
uit je eigen overvloed,
geeft ruimte aan het kwetsbaar kiemen,
knakt tere planten niet.

Met veel geduld,
soms zuchtend maar vol vuur,
laat je de klanken groeien
tot onverwachte oogst.

Zo schep je schoonheid
en bindt mensen aan elkaar
door hun stem te laten klinken
in hun ene moedertaal.

Geen opmerkingen: