Welkom

Beste Lezer,

Al enige tijd filosofeer ik over zingen. Dat was in eerste instantie voor de Nieuwsbrief van het Roois Gemengd Koor waar ik al lang bij zing.

Ik dacht over dat onderwerp wel wat te vinden in de filosofische literatuur, met name bij fenomenologen, maar dat viel tegen. Over taal is er al veel geschreven door filosofen, ook over muziek is wel gefilosofeerd, vooral over het effect daarvan op luisteraars, maar over het feit dat mensen zingen is nauwelijks iets te vinden. Daarom besloot ik zelf maar te gaan zoeken, denken en schrijven.

Dat heeft geresulteerd in een aanzienlijk aantal stukjes voor de Nieuwsbrief van het koor. Hoewel het denkproces nog niet af is naar mijn gevoel, wilde ik mijn ideeën toch beschikbaar stellen voor een groter publiek. Een boek zit er voorlopig niet in. Het Nederlandstalig publiek is daarvoor te klein en een subsidieaanvraag werd afgewezen. Daarom deze blog.

Ik zal de stukjes die ik schreef in een herziene versie hierop publiceren. Ik hoop dat mensen die op één of andere manier bezig zijn met zingen er wat aan hebben. Ook hoop ik dat mijn gedachten aangevuld worden door lezers vanuit hun eigen deskundigheid. Ik ben geen musicoloog en kwam bij het schrijven ook de grenzen van mijn deskundigheid tegen. Anderen kunnen het denkproces verder helpen, zodat dit een onderneming wordt van meer mensen. Misschien leidt dit ook tot een echte samenwerking.
Als je wil reageren of een stuk wil toevoegen, klik dan op ´reacties´na één van de stukken.

Denk eraan dat deze teksten beschermd zijn door het auteursrecht. Gelieve alleen teksten over te nemen na mijn toestemming. Neem daarvoor met mij contact op.


Als toetje neem ik regelmatig gedichten op bij de afleveringen. Als er geen naam bij staat is het van mezelf.

Op de blog staan de bijdragen in omgekeerde volgorde. In het archief heb je een overzicht in de logische volgorde als je ook de voorgaande maanden opent.

woensdag 28 december 2011

21. Zingen in de kerk


Tot hiertoe heb ik het gehad over zingen in het algemeen, zonder aandacht te besteden aan de situaties waarin gezongen wordt. Een situatie waarin zingen van oudsher een grote rol speelt zijn religieuze bijeenkomsten. In de meeste godsdiensten speelt zang een grote rol, vroeger en nu. De verschillen zijn echter zeer groot. De verschillen in de wijze waarop het religieuze beleefd wordt is wellicht nergens zo duidelijk te zien als in de het zingen. Dit is stof voor enkele afleveringen van deze beschouwingen. We beginnen dichtbij huis, bij de zang van christenen in hun religieuze bijeenkomsten.

Het begin

 Welke rol zang gespeeld heeft in de eerste eeuwen van het christendom is niet duidelijk. Die was waarschijnlijk zeer beperkt, zoals in de joodse synagoge die eerder een leerhuis was en pas na de verwoesting van de tempel van Jeruzalem iets van de muzikale traditie daarvan overnam. Toch kan het reciterend zingen van bijbelteksten daar al begonnen zijn en ook het zingen van psalmen. Waarschijnlijk hoorden daar korte interventies van de gemeenschap bij zoals ‘Amen’ en ‘alleluia’. De beschrijving die Paulus geeft van bijeenkomsten in Korinthe (1 Kor 14) geeft een beeld van vrij rumoerige bijeenkomsten met extatisch ‘profeteren’, spreken in onverstaanbare talen en zingen van psalmen. Al vrij vroeg ontstaan eigen christelijke hymnen die door de hele gemeenschap samen gezongen werden. De bekendste is het ‘Gloria in excelsis’, oorspronkelijk een Griekse hymne van vóór de derde eeuw. 

Na de publieke aanvaarding van het christelijk geloof en zijn verheffing tot staatsgodsdienst (in 380), worden de liturgische vieringen stilaan feestelijker en krijgen zangers en koren een grotere rol. Daarnaast ontstaat een groot aantal hymnen die bestemd waren voor zang door de hele gemeenschap. Vooral Ambrosius (339-397), bisschop van Milaan, heeft veel hymnen geschreven ter lering en vorming van zijn gelovigen. Augustinus, leerling en groot bewonderaar van Ambrosius, waarschuwde nochtans tegen te mooi zingen. Volgens hem kon zang zo verleidelijk zijn dat het gevaarlijk werd: het zou de luisteraar afleiden en op slechte ideeën kunnen brengen. Hij vond daarom dat zang zo eentonig mogelijk moest zijn.

Gregoriaans

Het resultaat van deze creatieve periode vinden we in de Westerse kerk terug in het Gregoriaans, zoals het na enkele eeuwen wordt vastgelegd door Paus Gregorius, terwijl de Oosterse kerken hun eigen weg gaan. In het Gregoriaans zien we een uitgebreid gamma van muziekvormen: zingend reciteren van bijbelteksten en gebeden door solisten (o.a. priesters), eenvoudige acclamaties voor de hele gemeenschap bij lezingen, gebeden en litanieën, kunstige muzikale uitwerkingen voor koor van acclamaties zoals het Kyrie eleison en vaste onderdelen van de viering, zoals opening, tussenzang tussen de lezingen, offerzang en communiezang die samen het graduale vormen. 
Opvallend is hierbij het ontbreken van instrumentale begeleiding. Instrumentale muziek werd geassociëerd met heidense rituelen en profane feesten. 

In een latere tijd ontstaan schitterende sologezangen, zoals het Exsultet in de paasnacht en breeduitgesponnen vocalises bij de alleluia. Interessant is dat op deze vocalises ook weer teksten gezet worden, waardoor nieuwe gezangen ontstaan, bijvoorbeeld de paashymne Victimae Paschali laudes. De ontwikkelingen zijn een spel tussen klank en woord, waarbij soms de klank overheerst en soms het woord. Daarbij mogen we niet vergeten dat het Latijn van de Gregoriaanse muziek al vrij snel onverstaanbaar is voor het gewone volk, zodat het voor hen toch vooral een sfeerscheppend element is in de viering. 

Het Gregoriaans wordt een onderdeel van het grote mysteriespel dat de eucharistievieringen vanaf de vroege middeleeuwen voor de gelovigen zijn. Dat geldt overigens ook voor een groot deel van de clerus en de kloosterlingen die een groot deel van hun dag vullen met het zingend reciteren van psalmen en de dagelijkse gezongen eucharistieviering.

Meerstemmigheid

Naarmate de liturgievieringen onderdeel worden van de pracht en praal aan de hoven van vorsten en bisschoppen doet de meerstemmigheid zijn intrede. Zo ontstaat de westerse muziek. Met gespecialiseerde koren ontstaat een meer en meer verfijnde koorzang. Daarbij is niet altijd duidelijk tot wiens eer gezongen wordt, die van God of die van de geldschieter. De teksten die gezongen worden zijn overwegend religieus. De religiositeit van de zang is echter een gans andere dan die van de oude Gregoriaanse zang. 

De zangkunst krijgt zijn eigen dynamiek en staat eerder extern ten dienste van het geloof en de godsvrucht dan dat het een uitdrukking is van innerlijke bewogenheid. Een ontwikkeling die in alle vormen van de West-Europese kunst waar te nemen is. Het onderscheid tussen profane en religieuze zang verzwakt. Toch ontstaat in die tijd kerkmuziek die getuigt van echte religieuze bewogenheid, tenminste van de componist. Zoals in de schilderkunst de Vlaamse Primitieven het nieuwe levensgevoel weten te integreren met diepe religiositeit, zijn er ook een aantal componisten, met name van Vlaamse origine, die nieuwe muziek brengen die ook religieus ontroert, bijvoorbeeld Philippus de Monte en Orlandus Lassus. 

De gewone gelovige is intussen de zwijgende toehoorder geworden, die de kunstige zang bewondert en meegenomen wordt in de grootsheid van de vieringen ter ere van God, als hij tenminste het geluk heeft daaraan deel te kunnen nemen. De zang van het gelovige volk verplaatst zich met de vroomheid naar rituelen buiten de officiële liturgie: bedevaarten, vooral naar Maria, en processies. In de eucharistievieringen wordt volop gezongen door de clerus en het koor in de grootse vieringen in de grote kerken en plaatselijk in de ‘hoogmis’. Daarbuiten zijn er alleen ‘stille missen’, waarin de gelovigen hun zondagsplicht volbrengen of waarin ze hun eigen stille devoties praktiseren, zoals de rozenkrans.

Reformatie

De reformatoren gaan meteen terug naar de gemeenschappelijke zang. Daartoe ontstaan in korte tijd een groot aantal vrome gezangen in strofische vorm, soms op oude volkse melodieën. De psalmen uit de Schrift vormen daarbij een belangrijke bron voor de teksten. Ze worden in de volkstalen vertaald en op muziek gezet die door het volk te zingen is. Deze zang vormt in de kerken van de Reformatie een belangrijk onderdeel van de diensten, naast de lezing van de Bijbel en de uitvoerige preek. 

In de Calvinistische kerken blijft deze sobere volkszang lang de regel. De Duitse Lutheranen nemen de rijkdom van de veelstemmige koorzang mee naar de diensten in de eigen taal. Daar ontstaat een schat aan nieuwe koormuziek die muzikaal hoogstaand is en tegelijk zeer religieus. Hoogtepunt daarvan zijn de motetten van Heinrich Schütz en de Passionen van Johan Sebastian Bach.

In de Anglicaanse kerk ontstaat een eigen vorm van psalmodiëren die tegelijk de rijkdom heeft van de meerstemmigheid en de soberheid van het Gregoriaans. De piëtistische kerken die in het Angelsaksische christendom daarna ontstaan (Methodisten, Baptisten,...) brengen een groot aantal vrome liederen voort waarin het geloof sterk gevoelsmatig bezongen wordt. Zij vormen een belangrijk instrument in de geloofsvorming van de kerkleden van deze gemeenschappen. 

Als de negerslaven in de Verenigde Staten hun toevlucht zoeken tot deze kerken ontstaan in die lijn de negro-spirituals, met Afrikaans ritme en emotie op vrome klagende of troostende teksten. Deze spirituals vormen in veel van deze kerken het belangrijkste element in de liturgische vieringen, waarin de emotie belangrijker is dan de inhoudelijke prediking.

Oosters-Orthodox

Een apart verhaal vormt de zang in de Oosters-Orthodoxe kerken. Oorspronkelijk was er grote verwantschap tussen Oost en West wat betreft de zang in de christelijke gemeenschappen. Vanaf de 4de eeuw vervreemden de Westerse en de Oosterse kerken geleidelijk van elkaar. De Oosterse christenen zijn vooral gericht op spiritualiteit en mystiek. Voor hen is de liturgie een afspiegeling van de hemelse werkelijkheid. De zang wordt gezien als voortkomend van de engelen en delend in hun hemels zingen. 

Onder invloed van de verschillende plaatselijke zangculturen krijgt de zang in de Oosterse kerken een eigen koloriet. Zoals in het Westen begint het met syllabische zang, één noot voor elke lettergreep en ontwikkelt die zich tot zang met meer versiering, meer noten per lettergreep. De meerstemmigheid die wij nu zo typisch vinden voor de Oosters-Orthodoxe liturgie is opvallend genoeg ontstaan onder de invloed van de westerse meerstemmigheid.  Deze meerstemmigheid gaat echter niet zijn eigen leven lijden zoals in het westen, maar blijft sober en dienstbaar aan een innerlijke religiositeit. Het blijft, veel meer dan in het westen, typisch kerkmuziek.

Vanaf paus Pius X (1903) wordt door de leiding van de katholieke kerk de actieve deelname van de gelovigen aan de eucharistievieringen bevorderd. Dit als onderdeel van een algemene activering  van de katholieke gelovigen tegenover het oprukkende ongeloof. De kerkzang krijgt daarmee een nieuwe impuls. Dat is stof voor een volgende aflevering.

Tot slot

 Als we het geheel overzien dan zien we in de christelijke kerkzang een aantal spanningen die verband houden met accenten in de beleving van het geloof. Vooreerst is er spanning tussen feestelijkheid en soberheid, het extraverte en het introverte. Soms zien we vooral de feestelijkheid van de geloofsbeleving naar voren komen, tot het extatische toe, soms is het vooral de soberheid die vooropstaat. De dionysische drive van het gevoel wordt steeds weer tot de orde geroepen door de apollinische orde van het verstand. 

Daarmee verbonden is de spanning tussen de prioriteit van de klank of die van het woord. Dat is niet verwonderlijk bij de christelijke godsdienst die bij de godsdiensten van het woord hoort. Vooral in de oude kerk en bij de Reformatie is de nadruk op het woord sterk aanwezig. Tussendoor wordt dit regelmatig overspoeld door de rijkdom van de klank. 
Daarnaast zien we ook steeds weer de spanning tussen de eerder hierarchische en de eerder democratische praktijk van het zingen in de kerk. Soms is het zingen voorbehouden aan de voorgangers en voorzangers, soms ligt de nadruk op de deelname van de hele kerkgemeenschap. Ook daarin kun je een verschil in geloofsbeleving herkennen. 
Zo geeft de geschiedenis van de kerkzang aanwijzingen voor de geschiedenis van de geloofsbeleving van de gelovige mensen in hun verscheidenheid.


Lied

Niet te schatten sinds wanneer.
Al dat gepraat over u al die boeken.

Niets bereikt u
niemand haalt u dichterbij.

Enkel te zingen
zijt gij.

Huub Oosterhuis,
Godweet komt het goed, Rainbow Pockets 2005

Geen opmerkingen: