Welkom

Beste Lezer,

Al enige tijd filosofeer ik over zingen. Dat was in eerste instantie voor de Nieuwsbrief van het Roois Gemengd Koor waar ik al lang bij zing.

Ik dacht over dat onderwerp wel wat te vinden in de filosofische literatuur, met name bij fenomenologen, maar dat viel tegen. Over taal is er al veel geschreven door filosofen, ook over muziek is wel gefilosofeerd, vooral over het effect daarvan op luisteraars, maar over het feit dat mensen zingen is nauwelijks iets te vinden. Daarom besloot ik zelf maar te gaan zoeken, denken en schrijven.

Dat heeft geresulteerd in een aanzienlijk aantal stukjes voor de Nieuwsbrief van het koor. Hoewel het denkproces nog niet af is naar mijn gevoel, wilde ik mijn ideeën toch beschikbaar stellen voor een groter publiek. Een boek zit er voorlopig niet in. Het Nederlandstalig publiek is daarvoor te klein en een subsidieaanvraag werd afgewezen. Daarom deze blog.

Ik zal de stukjes die ik schreef in een herziene versie hierop publiceren. Ik hoop dat mensen die op één of andere manier bezig zijn met zingen er wat aan hebben. Ook hoop ik dat mijn gedachten aangevuld worden door lezers vanuit hun eigen deskundigheid. Ik ben geen musicoloog en kwam bij het schrijven ook de grenzen van mijn deskundigheid tegen. Anderen kunnen het denkproces verder helpen, zodat dit een onderneming wordt van meer mensen. Misschien leidt dit ook tot een echte samenwerking.
Als je wil reageren of een stuk wil toevoegen, klik dan op ´reacties´na één van de stukken.

Denk eraan dat deze teksten beschermd zijn door het auteursrecht. Gelieve alleen teksten over te nemen na mijn toestemming. Neem daarvoor met mij contact op.


Als toetje neem ik regelmatig gedichten op bij de afleveringen. Als er geen naam bij staat is het van mezelf.

Op de blog staan de bijdragen in omgekeerde volgorde. In het archief heb je een overzicht in de logische volgorde als je ook de voorgaande maanden opent.

vrijdag 2 december 2011

16. Friedrich Nietzsche over woord en klank

 

Het is tijd om op verkenning te gaan bij de filosofen. Alles bij elkaar is door filosofen weinig geschreven over zingen, maar hier en daar is toch wat te vinden. 
De eerste is Friedrich Nietzsche. Hij had een interessante visie op de relatie tussen woord en klank, waar ik eerder ook al over schreef (zie afleveringen 9 en 10).  Nietzsche staat erom bekend dat hij de zaken extreem scherp stelde, maar zijn denken boeit filosofen van onze tijd nog steeds. Muziek had in zijn leven en zijn

Nietzsche leefde volop in de tijd van de Duitse hoogromantiek, van 1844 tot 1900. Een tijdlang was hij kind aan huis bij Richard Wagner waar hij andere componisten en musici ontmoette. Wagner was eerst zijn idool, maar later wees hij hem af als iemand die zijn mooie idealen had verraden.  Nietzsche schreef zelf muziek, enkele instrumentele stukken en een aantal liederen,  maar daarin was hij geen hoogvlieger en zijn muziekvrienden reageerden er maar koel op. Zijn kracht lag in het denken.

Friedrich Nietzsche was de zoon van een dominee en hoorde zo tot de betere burgerkringen. Reeds a ls student werd hij bekend om zijn briljante denken en toen hij 25 werd was hij al professor in de klassieke letterkunde te Basel. Zijn eerste werk ‘Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik’ (1872), over de oude Griekse tragedie, was echter al zo controversieel dat hij snel door zijn vakgenoten en collega’s gemeden werd en zijn professoraat een fiasco werd. Na 10 jaar nam hij ontslag en ging als zelfstandig denker en schrijver zijn eigen weg.

Apollo en Dionysos

 De oude Griekse kunst stond bij de romantici in hoog aanzien als voorbeeld van evenwicht en schoonheid. In zijn studie over de oude Griekse tragedie stelde Nietzsche nu dat men daarbij voorbijging aan een ander element in deze tragedies dat hen eigenlijk hun dramatische kracht gaf. Men had alleen oog voor het ‘apollinische’ en ging voorbij aan het ‘dionysische’. 

Apollo is de god van de schoonheid, de ordening en de waarheid, Dionysos is de god van de exstase, de dronkenschap en de roes. Dionysos verbeeldt de oerkracht van het leven, die zich steeds weer realiseert in schepping en ondergang, terwijl Apollo staat voor de mens die tracht greep te krijgen op de chaos van het leven door begrippen, voorstellingen en mythen. De schoonheid van Apollo is rationeel en glad, die van Dionysos is rauw en emotioneel. Apollo is de god van de beeldende kunst, van het denken en het individu, Dionysos is de god van de muziek en de groepsdans. 

De tragedie is volgens Nietzsche ontstaan uit het koor van de Dionysos-cultus, een koor van saters, merkwaardige wezens met horens en bokkenpoten. Door dit saterkoor werd de cultuurmens ‘opgetild’ uit de alledaagse werkelijkheid. De staat, de maatschappij, alle scheidingen tussen mens en mens weken voor een overweldigend gevoel van eenheid dat de mens terugbrengt naar het hart van de natuur.

De oprichters van onze plaatselijke fanfare ‘Nos jungit Apollo’ (Apollo verenigt ons) hebben in 1864 waarschijnlijk niet helemaal geweten waar ze voor kozen met die naam, maar een keuze voor Dionysos zou bij de pastoor zeker niet goed gevallen zijn.

De echte werkelijkheid

Voor Nietzsche beleeft een mens alleen in muziek de echte werkelijkheid, en wel in muziek die je zelf maakt. Zingen is daarvan de eerste en meest oorspronkelijke vorm.
Met theoretische kennis (begrippen, redeneren) bereikt een mens immers niet de werkelijkheid, alleen de voorstellingen die hij er zelf van vormt.

Het was de grote Immanuel Kant (1724-1804) die tot dit inzicht kwam, dat sindsdien door zowat alle filosofen is overgenomen. Het is immers duidelijk dat onze kennis van de wereld beperkt en bepaald wordt door onze mogelijkheden, door de structuur van ons eigen waarnemen en denken. De wet van oorzaak en gevolg maar ook kwaliteiten zoals de kleur van de dingen, zijn zaken die meer uit onszelf komen dan uit de wereld buiten ons. 

Is er dan geen mogelijkheid om de werkelijkheid zelf te bereiken? Veel filosofen na Kant gaan daarnaar op zoek en zien mogelijkheden in het gevoel of de intuïtie. Arthur Schopenhauer (1788-1860) was van mening dat een mens de werkelijkheid alleen kan bereiken via de kunst en dan met name in de muziek. Alleen in muziek beleeft een mens de oerkracht die alles tot stand brengt en doet leven en die Schopenhauer de ‘Algemene Wil’ noemt. Verder zit een mens gevangen in zijn voorstellingen. 

Nietzsche neemt die gedachte van Schopenhauer over: alleen in muziek beleven we het echte leven, de oerdrift die alles doet ontstaan en weer vergaan: de wereld, de levende wezens, het denken en de voorstellingen. Daarbij moeten we denken aan muziek als actief gebeuren, het maken van muziek, niet aan het product of aan het beluisteren van muziek. Verder blijven wij gevangen in onze voorstellingen. Die voorstellingen van de wereld, de mensen, de goden, en maatschappelijke structuren die eraan beantwoorden, hebben wij wel nodig om te overleven in de alledaagse strijd, maar als we daarbij blijven en ons daaraan vastklampen, missen we het echte leven dat altijd weer nieuwe dingen en gedachten schept en de oude loslaat.

Woord en klank

 Dat betekent dat het bij het zingen uiteindelijk om de klank gaat, niet om de woorden. De woorden hebben we meestal wel nodig, maar die behoren tot de wereld van de voorstellingen. Ze zijn eigenlijk niet meer dan kapstokken waaraan we de muziek ophangen.
Dat verklaart het feit dat de tekst zo dikwijls verloren gaat als we zingen en dat we ons daar weinig zorgen over maken. Dat verklaart ook dat we dikwijls enthousiast teksten zingen die we anders niet door de strot zouden krijgen. Denk aan het zeeroverslied, maar ook aan het Wilhelmus.

Maar is het dan niet zo dat er dikwijls eerst een tekst is, een gedicht, en dat een componist daar later muziek bij schrijft? Zo ontstaan inderdaad de meeste klassieke liederen. Volgens Nietzsche is het echter ondenkbaar dat een tekst zou inspireren tot muziek. Volgens hem is een componist vanuit zijn muzikale gedrevenheid op zoek naar teksten waarin hij die kan uitdrukken. Dat klopt wel met wat ik herhaaldelijk van componisten gehoord heb, dat zij voortdurend op zoek zijn naar teksten die bij hun muziek passen. Dat zijn dikwijls niet de beste gedichten, maar wel teksten die bij de componist muziek doen opwellen.

Nietzsche geeft zelf het voorbeeld van het laatste deel van de negende symfonie van Ludwig van Beethoven, de ‘Ode an die Freude’. Voor hem is het duidelijk dat de muziek daarvan niet geïnspireerd kan zijn door de slappe tekst. De muziek is duidelijk veel sterker en tilt de tekst naar een hoger niveau, die hij uit zichzelf niet heeft. Ik moet daarbij inderdaad toegeven dat ik van die tekst slechts enkele woorden ken en al snel afhaak als ik woorden hoor als ‘Götterfunken’ en ‘Tochter aus Elysium’. Geef mij de muziek maar en laat de tekst voor wat hij is. Geweldig dat Beethoven tot deze muzikale prestatie gekomen is; als de tekst daar iets aan heeft bijgedragen is dat mooi meegenomen.

De tekst van een muziekstuk heeft in deze gedachtegang vooral waarde voor de componist, veel minder voor de uitvoerder en nog minder voor de toehoorder. Eigenlijk spreekt de muziek voor zichzelf en neemt je mee in een wereld voorbij het denken en voorbij de alledaagse werkelijkheid. De tekst kan van belang zijn voor de uitvoerder en de toehoorder om zich in te leven in het creatief proces van de componist en daarmee de muziek als het ware zelf te herscheppen. Dat is echter iets anders dan ‘verstaan wat er gezongen wordt’.

Klopt de theorie van Nietzsche? Voor mij verheldert ze wel een aantal feiten en in die mate is ze voor mij geldig. Geldt ze voor alle muziek? Een interessante vraag om op door te denken.
Heeft dit gevolgen voor ons zingen? Misschien wél. Goed om ook daarover na te denken. Nietzsche heeft zich daar niet mee beziggehouden. Het was hem meer te doen om het filosofische inzicht in het menselijk bestaan. Voor hem had dit inzicht vooral gevolgen voor het leven: muziek als creatief gebeuren was voor hem het model voor echt authentiek menselijk leven dat ontstijgt aan de burgerlijke gezapigheid waartegen hij heel zijn leven gestreden heeft.



Muziek

Zij is als koorts, vol van gespannen leven.
Zoals de koorts zich uit in zelfde motieven,
Die treffen als een slag, door hun herhaald geluid,
Die schudden als de storm, die zwerven als gefluit,
Dàn door een diepte, slechts door eenvoud vol verkregen,
Dàn door tragische kracht, die afmattend bekoort,
Zoals diegeen zich voelt, die sidd’rend naar haar hoort,
Dàn door atomen fijn, die als een snoer zich regen,
Mat zij het lichaam af, maar knevelt zij den geest,
Die zich onwillig eerst, steeds wentelt in haar banden.
Als komt ’t bedwelmend koortsgevoel, dat gij verlangt en vreest,
Strekt dan verlangend uit naar hare stem uw handen.

Laat U dan rusten stil in haar wellust trillend’ arm,
Omvat dan met een zucht haar slanke, volle leest.

Simon Vestdijk

Geen opmerkingen: