Welkom

Beste Lezer,

Al enige tijd filosofeer ik over zingen. Dat was in eerste instantie voor de Nieuwsbrief van het Roois Gemengd Koor waar ik al lang bij zing.

Ik dacht over dat onderwerp wel wat te vinden in de filosofische literatuur, met name bij fenomenologen, maar dat viel tegen. Over taal is er al veel geschreven door filosofen, ook over muziek is wel gefilosofeerd, vooral over het effect daarvan op luisteraars, maar over het feit dat mensen zingen is nauwelijks iets te vinden. Daarom besloot ik zelf maar te gaan zoeken, denken en schrijven.

Dat heeft geresulteerd in een aanzienlijk aantal stukjes voor de Nieuwsbrief van het koor. Hoewel het denkproces nog niet af is naar mijn gevoel, wilde ik mijn ideeën toch beschikbaar stellen voor een groter publiek. Een boek zit er voorlopig niet in. Het Nederlandstalig publiek is daarvoor te klein en een subsidieaanvraag werd afgewezen. Daarom deze blog.

Ik zal de stukjes die ik schreef in een herziene versie hierop publiceren. Ik hoop dat mensen die op één of andere manier bezig zijn met zingen er wat aan hebben. Ook hoop ik dat mijn gedachten aangevuld worden door lezers vanuit hun eigen deskundigheid. Ik ben geen musicoloog en kwam bij het schrijven ook de grenzen van mijn deskundigheid tegen. Anderen kunnen het denkproces verder helpen, zodat dit een onderneming wordt van meer mensen. Misschien leidt dit ook tot een echte samenwerking.
Als je wil reageren of een stuk wil toevoegen, klik dan op ´reacties´na één van de stukken.

Denk eraan dat deze teksten beschermd zijn door het auteursrecht. Gelieve alleen teksten over te nemen na mijn toestemming. Neem daarvoor met mij contact op.


Als toetje neem ik regelmatig gedichten op bij de afleveringen. Als er geen naam bij staat is het van mezelf.

Op de blog staan de bijdragen in omgekeerde volgorde. In het archief heb je een overzicht in de logische volgorde als je ook de voorgaande maanden opent.

maandag 5 december 2011

18. Zingen is zijn - Martin Heidegger

In de laatste fase van zijn leven heeft de Duitse filosoof Martin Heidegger (1889-1976) zich intensief bezig gehouden met het spreken van mensen. Hij had zich korte tijd laten meeslepen door de nazi-ideologie en werd daarom door velen afgeschreven. In de kringen van filosofen behield hij echter zijn positie als één van de grootse filosofen van de 20ste eeuw. Na 1945 hield hij een aantal lezingen over het spreken van mensen, waarbij hij vooral gedichten als leidraad nam, onder andere van Rainer-Maria Rilke (1875-1926). Heidegger spreekt, met Rilke, dikwijls over ‘zingen’ als hij het over dichten heeft en noemt gedichten dikwijls liederen. Hij zegt daarbij dingen die ook het wezen van het zingen in de letterlijke betekenis aanwijzen.
Vrij verwoordend en interpreterend ga ik met Heidegger op weg om de diepste betekenis van het zingen van mensen op het spoor te komen. Daarbij maak ik geen duidelijk onderscheid wat van hem is en wat van mij. Trek maar stevige denkschoenen aan.

De mens is een sprekend wezen en onderscheidt zich daardoor van andere levende wezens. De taal heeft onze beschaving mogelijk gemaakt, niet alleen literatuur en andere culturele uitingen maar ook de technische ontwikkeling. Taalontwikkeling speelt een centrale rol in de opvoeding van kinderen. De taal is het geheugen van de mensheid en maakt vooruitgang mogelijk. Toch dreigt het praktische taalgebruik ons het zicht te ontnemen op het wezen van de taal. 

Heidegger verzet zich heftig tegen het herleiden van de taal tot een communicatiemiddel of gezellig kletsen. Taal is voor hem veel meer, is wezenlijk openbaring van de werkelijkheid. Door de taal wordt de wereld pas een menselijke wereld. Door de taal leert de mens pas zichzelf kennen.  Door de taal worden verbanden gelegd tussen dingen en gebeurtenissen. Ook worden verborgen betekenissen verwoord en daardoor worden die verhelderd, ‘komen ze aan het licht’.

Het grote gebeuren

Om de diepere betekenis van deze visie op de taal van mensen te zien, moeten we haar in de bredere context plaatsen van een visie op de hele werkelijkheid. Die visie is de laatste 200 jaar grondig veranderd, zowel in de wetenschap als in de filosofie. Lang zag men al wat bestaat als vaste gegevens: de hemel, de aarde met vaste soorten planten en dieren en de mens. Dat levende wezens tijdelijk zijn, daarvan was men zich wel bewust, en ook dat de mensheid een geschiedenis heeft. Nu is echter meer en meer het besef doorgedrongen dat we de hele werkelijkheid, het geheel van al wat bestaat, niet moeten zien als een verzameling vaste dingen die naast elkaar staan, maar als één groot samenhangend geheel dat voortdurend in ontwikkeling is. 

Voor de sterrenkunde is de sterrenhemel niet meer een vast gegeven maar een werveling van energie die zonnen en planeten doet ontstaan en weer vergaan. Eerder al stelde Charles Darwin in zijn evolutietheorie dat het leven op aarde geëvolueerd is van eenvoudige levensvormen naar meer ingewikkelde dieren en uiteindelijk naar de mens. Die mens is ook niet altijd al geweest zoals hij nu is en is nog steeds in ontwikkeling. Het is uitermate belangrijk te beseffen dat dit hele gebeuren niet iets van het verleden is, maar dat het nú aan de gang is. 

Of het allemaal op toeval berust of gepland is, daarover lopen de meningen uiteen, maar het gaat in ieder geval de mensen ver te boven. Wat mensen zijn en kunnen is een moment in dat grote gebeuren.  Dat geldt ook voor spreken en zingen. Het zijn wel mensen die spreken en zingen en die de taal en de zang vormgeven, maar dat mogen we niet zien als een prestatie van de mens uit zichzelf. Taal en zang zijn gaven die ons geschonken wordt door het grote gebeuren van de werkelijkheid.

 
Materie en geest

Een belangrijke vraag in verband met het grote gebeuren is wat het dragende element ervan is. Voor veel moderne denkers en voor de meeste moderne mensen is dat de materie. De evolutie zien zij als een ontwikkeling van de materie. Het voelen en zingen, het denken en spreken van mensen, heel de wereld van de geest is volgens hem een product van de materie. Daartegenover stelde Friedrich Hegel (1770-1831) reeds dat de dragende werkelijkheid van dit grote gebeuren de Geest is en veel filosofen zijn hem daarin gevolgd, hoewel verschillend was wat zij daaronder verstonden. Zij nemen daarmee een overtuiging over die in de oudheid algemeen verspreid was, namelijk dat geesten en goden aan de oorsprong liggen van de materiële wereld en deze ook domineren.

Ook Heidegger gaat het er in heel zijn filosofisch werk om de eenzijdige materialistische visie op de werkelijkheid te corrigeren. De wereld mag niet herleid worden tot de wereld van de ‘dingen’,
geestelijke activiteiten zijn evenzeer werkelijkheid als materiële. Het spreken staat voor hem dichter bij de kern van de werkelijkheid dan de wereld van de dingen. Die gedachte vinden we ook terug in de Joodse visie op de werkelijkheid Volgens het bijbelse scheppingsverhaal ontstonden hemel en aarde door Gods woord: “God zei ‘Er moet licht komen’ en er was licht.”(Gen 1).In het begin van het Johannesevangelie wordt dit woord geïdentificeerd met Jezus en heeft het zelfs een goddelijke status: “In het begin was het woord en het woord was bij God en het woord was God.”(Joh 1,1). Het woord van de bijbel is volgens Joden en Christenen geïnspireerd door God en de oude profeten wisten zich in hun spreken door God gedreven. Ook de oude Griekse dichters wisten zich geïnspireerd door de goddelijke Muze.

Ook los van de bijbelse visie en de poëtische visie van de Grieken is er alle aanleiding om niet te blijven staan bij een platte materialistische visie op de werkelijkheid, waarin alles herleid wordt tot materie en waar taal slechts ‘een toetje’ is op de harde materiële werkelijkheid. De moderne fysica laat ons zien dat de materie helemaal niet zo’n vast gegeven is als wel lijkt en vrij algemeen wordt aangenomen. De materie is een vorm die de kosmische energie aanneemt, steeds in beweging en steeds tijdelijk. Geen enkel ding bestaat eeuwig, ook niet de hardste rots. Geestelijke werkelijkheden zijn in deze visie net zo reëel als materiële werkelijkheden. 

Heidegger is niet de enige met een dergelijke visie op de werkelijkheid. Het is opvallend dat in de loop van de 20ste eeuw verschillende denkers tot gelijkaardige opvattingen kwamen, sommigen vanuit een wetenschappelijke achtergrond, zoals de Franse anthropoloog (en jezuiet) Teilhard de Chardin en de Engelse A.N. Whitehead. De laatste ontwikkelde - na een academische carrière als wiskundige van internationale faam – zijn ‘procesfilosofie’ waarin hij alles wat bestaat, materiëel en geestelijk, beschrijft als gebeurtenissen (‘actual occasions’). Voor al deze denkers zijn geestelijke werkelijkheden zoals gevoel, taal, ideeën en relaties weliswaar producten van de menselijke geest, maar daarom niet minder echte werkelijkheden dan ‘dingen’. Het zijn allemaal concrete realisaties van ‘het grote gebeuren’.

Voor Heidegger is taal een uitermate belangrijk geestelijk fenomeen dat in mensen vorm krijgt. Je kunt zelfs zeggen dat in de taal meer het wezen van de werkelijkheid gerealiseerd wordt dan in de dingen. Natuurlijk bestaan dingen ook zonder taal, maar daarmee is de werkelijkheid niet uitgeput. De werkelijkheid openbaart zich in de taal als een spel van communicatie, als een samenhangend geheel, de wereld. Dat mensen hiertoe gekomen zijn is een belangrijk keerpunt in de evolutie van de aarde, maar dus ook in het grote kosmische gebeuren. Met de taal is een heel nieuwe dimensie van de werkelijkheid aan het licht gekomen.

Het nutteloze zingen

De diepere betekenis van taal wordt volgens Heidegger gerealiseerd in poëzie, met name in de gedichten van Hölderlin en Rilke. Die poëzie noemt hij ‘Gesang – zingen, lied’. Dat doet ook Rilke zelf, vooral in zijn Sonnetten aan Orpheus, die door velen als een hoogtepunt in zijn werk worden beschouwd. Ze staan daarmee in een oude traditie: Petrarca bundelde zijn gedichten voor Laura in de Canzoniere, Dante verdeelde zijn Divina Commedia in ‘zangen’ en recent noemde Pablo Neruda zijn groot dichtwerk Canto general.  

Het diepste wezen van het spreken wordt gerealiseerd in het zingen. Daarin zijn de woorden niet zozeer instrumenten om met anderen te communiceren en de wereld te ordenen en te beheersen, maar tekens om het wezen van het leven en de werkelijkheid te openbaren. Dit zingen heeft geen nut en levert niets op. Het werkt ook alleen als de zangers en de luisteraar de woorden in hun hart laten klinken. Dan komt de stroom van het leven en de werkelijkheid tot klinken en wordt het ware zijn geopenbaard. Rilke heeft dit het duidelijkst verwoord in dit sonnet:


Ein Gott vermags. Wie aber, sag mir, soll
ein Mann ihm folgen durch die schmale Leier?
Sein Sinn ist Zwiespalt. An der Kreuzung zweier
Herzwege steht kein Tempel für Apoll.

Gesang, wie du ihn lehrst, ist nicht Begehr,
nicht Werbung um ein endlich noch Erreichtes;
Gesang ist Dasein. Für den Gott ein Leichtes.
Wann aber sind wir? Und wann wendet er

an unser Sein die Erde und die Sterne?
Dies ists nicht, Jüngling, Daß du liebst, wenn auch
die Stimme dann den Mund dir aufstößt, - lerne

vergessen, daß du aufsangst. Das verrinnt.
In Wahrheit singen, ist ein andrer Hauch.

Ein Hauch um nichts. Ein Wehn im Gott. Ein Wind. 

Die Sonette an Orpheus, deel I nr 3

Eigen vertaling naar de inhoud:
 
Een god kan het. Maar hoe zal een man
hem volgen langs het smalle pad van de lier?
Het betekent tweespalt. Op het kruispunt
van het hart staat geen tempel voor Apollo.

Het zingen dat gij hen leert kent geen begeren,
is geen reiken naar een uiteindelijk doel.
Zingen is zijn. Voor de god gemakkelijk.
Maar wij, wanneer zijn wij? Wanneer zal hij

de aarde en de sterren naar ons zijn toewenden?
Jongeman, het gaat er niet om dat jij liefhebt,
al breekt dan je stem je mond open, leer te vergeten

dat jij het bent die zingt. Je lost op in de klank.
Waarlijk zingen vraagt een andere adem.
Een adem om niets. Waaien in god. Wind.



Het gaat om een tegenstelling tussen begeren en presteren enerzijds en het naakte bestaan, het ware zijn anderzijds. Voor Heidegger is Dasein de typische term voor het menselijk bestaan. Dat is niet iets dat wij maken, wij worden erin ‘geworpen’. Voor het ware zingen moeten we vergeten dat wij het zijn die zingen. Het is een wind die door ons heen waait.
In het zingen openbaart zich dan de lyrische meerwaarde van het menselijk bestaan: enerzijds is het nutteloos voor het praktische leven en is het een voorbijgaand gebeuren, maar anderzijds heeft het een fundamentele waarde voor een zinvol leven.

Dat is de betekenis van zingen voorzover het poëzie is. Een zeer fundamentele betekenis. Ze verklaart de diepe en onverwachte gevoelens die zingen soms kan oproepen. Bij zingen is dat nog anders en dikwijls sterker dan bij poëzie. Naast ritme en klankkleur komt er bij zingen nog de melodie, de zangstem en de meerstemmige harmonie bij, terwijl het woord naar de achtergrond gedrongen wordt. Dat geeft kleur aan de grijstinten van de poëzie en geeft nog meer ruimte aan het gevoel dan aan het denken. Zingen is zijn, in vol ornaat.

Geen opmerkingen: