Welkom

Beste Lezer,

Al enige tijd filosofeer ik over zingen. Dat was in eerste instantie voor de Nieuwsbrief van het Roois Gemengd Koor waar ik al lang bij zing.

Ik dacht over dat onderwerp wel wat te vinden in de filosofische literatuur, met name bij fenomenologen, maar dat viel tegen. Over taal is er al veel geschreven door filosofen, ook over muziek is wel gefilosofeerd, vooral over het effect daarvan op luisteraars, maar over het feit dat mensen zingen is nauwelijks iets te vinden. Daarom besloot ik zelf maar te gaan zoeken, denken en schrijven.

Dat heeft geresulteerd in een aanzienlijk aantal stukjes voor de Nieuwsbrief van het koor. Hoewel het denkproces nog niet af is naar mijn gevoel, wilde ik mijn ideeën toch beschikbaar stellen voor een groter publiek. Een boek zit er voorlopig niet in. Het Nederlandstalig publiek is daarvoor te klein en een subsidieaanvraag werd afgewezen. Daarom deze blog.

Ik zal de stukjes die ik schreef in een herziene versie hierop publiceren. Ik hoop dat mensen die op één of andere manier bezig zijn met zingen er wat aan hebben. Ook hoop ik dat mijn gedachten aangevuld worden door lezers vanuit hun eigen deskundigheid. Ik ben geen musicoloog en kwam bij het schrijven ook de grenzen van mijn deskundigheid tegen. Anderen kunnen het denkproces verder helpen, zodat dit een onderneming wordt van meer mensen. Misschien leidt dit ook tot een echte samenwerking.
Als je wil reageren of een stuk wil toevoegen, klik dan op ´reacties´na één van de stukken.

Denk eraan dat deze teksten beschermd zijn door het auteursrecht. Gelieve alleen teksten over te nemen na mijn toestemming. Neem daarvoor met mij contact op.


Als toetje neem ik regelmatig gedichten op bij de afleveringen. Als er geen naam bij staat is het van mezelf.

Op de blog staan de bijdragen in omgekeerde volgorde. In het archief heb je een overzicht in de logische volgorde als je ook de voorgaande maanden opent.

zaterdag 3 december 2011

17. De visie van Rudolf Steiner

Uit dezelfde kringen als Nietzsche komt een heel andere figuur. In filosofische kringen zeer omstreden, maar wel zeer boeiend en met een grote invloed via de anthroposofische beweging waarvan hij de grondlegger is. Diegenen die hem afdoen als een zweverige figuur vergeten dat hij een wetenschappelijke achtergrond had, zeer vertrouwd was met het werk van Schopenhauer en zeker in zijn eerste werken strak filosofisch dacht. 

Zijn weg


Rudolf Steiner (1861-1925) was Oostenrijker en studeerde in Wenen, maar werkte en leefde daarna vooral in Duitsland (Weimar en Berlijn). Gedurende de eerste wereldoorlog verplaatste hij zijn activiteiten naar Dornach bij Basel en stichtte daar het Goetheanum, het centrum van de antroposofische beweging. In heel Europa had hij contacten en gaf hij lezingen. Na zijn dood breidde de antroposofische beweging zich verder uit, vooral ook in het onderwijs (Vrije Scholen).

Steiner had een wetenschappelijke opleiding, was zeer goed op de hoogte van de ontwikkelingen in de wetenschap en waardeerde die zeer. Van jongsaf had hij daarnaast groot interesse en gevoeligheid voor de wereld van de geest. Hij wilde natuurwetenschap en geesteswetenschap met elkaar verbinden in tegenstelling tot de heersende opvattingen die ze aan elkaar tegenstelden: enerzijds materialisme dat al het geestelijke als zuivere fantasie zag, anderzijds intellectualisme en geloof die zich verzetten tegen de vooruitgang van de wetenschap. 

Hij was ervan overtuigd dat de kennis vanuit de waarneming moet aangevuld worden met de kennis van de geestelijke werkelijkheid door persoonlijke ervaring. Zelf was Steiner helderziende en had een sterke intuïtie van de geestelijke werkelijkheid, maar hij was ervan overtuigd dat ieder mens in zich de mogelijkheid draagt om rechtstreeks kennis te nemen van de wereld van de geest. Het komt erop aan die mogelijkheid ruimte te geven en ze bewust te ontwikkelen.

Op basis van zijn persoonlijke ervaringen en inzichten ging Steiner zijn eigen weg. Geboren als katholiek, nam hij afstand van het dogmatische geloof en stond open voor allerlei oude en nieuwe ideeën. Zo had hij bijvoorbeeld grote bewondering voor het denken van Nietzsche en Schopenhauer en nam ideeën van hen over, maar was het op fundamentele punten oneens met hen. Zo sloot hij zich ook aan bij de beweging van de teosofie, die het denken van de Indische godsdiensten naar Europa wilde halen, maar ging vrij snel zijn eigen weg met de antroposofie, waarin het christelijke geloof een centrale plaats heeft. 

Hij stelde dat je nooit iets moet beweren dat niet gebaseerd is op je eigen ervaring. Het is niet in zijn geest dat de antroposofie nu ook een geloof is geworden waar men vóór of tegen is en Steiner ofwel kritiekloos vereerd wordt ofwel niet ernstig genomen wordt als denker, omdat men het niet eens is met bepaalde van zijn opvattingen.

Geest en wereld

Volgens Steiner is de bron en de kern van alles wat bestaat geestelijk. Onze wereld is een ‘incarnatie’ van de geest: in de planeten, zon en maan, in de materie van de aarde, in planten en dieren en uiteindelijk in mensen. Het is de geest die de evolutie drijft naar het ontstaan van mensen waarin de geest zich uitdrukkelijk openbaart en van zichzelf bewust wordt. 
Het geestelijke element in ieder mens blijft in contact met de geesteswereld, via dromen maar nog sterker in de droomloze slaap, en keert bij de dood terug naar de geesteswereld in afwachting van een reïncarnatie. In de tijd tussen de dood en een volgende geboorte leeft de ziel/geest in de geestelijke wereld en doet daar nieuwe inspiratie op voor een volgend materiëel bestaan.

In de oudheid waren mensen zich bewust van de eenheid van de materiële en de geestelijke wereld en zagen en ervoeren ze in heel de materiële wereld ook de aanwezigheid van de geestelijke werkelijkheid. Vanaf de tijd van de Romeinen is die eenheidsbeleving in Europa stilaan verloren gegaan en in de moderne tijd heeft dat geleid tot de ontkenning van de geesteswereld bij veel denkers, wetenschappers en het grootste deel van den bevolking. Dat is de diepste oorzaak van het wijdverspreide onbehagen van mensen en van de oorlogen die Europa en de hele wereld hebben verscheurd. 

Steiner wilde met zijn onvermoeibare inzet mensen brengen tot de herontdekking van de eenheid van geest en materie en zo tot een verrijking van het leven en het herontdekken van een diepgaande eenheid van alle mensen. Het scheppen van kunst was voor hem daarbij van groot belang omdat mensen in hun kunst de materie omvormen tot de uitdrukking van de geestelijke werkelijkheid. In de kunst kunnen mensen elkaar ook vinden over de grenzen van nationaliteit en godsdienst heen.

Zingen: beleving van de geest

In een aantal voordrachten heeft Steiner een belangrijke plaats toegewezen aan het zingen. Muziek is volgens Steiner de meest directe en intense vorm waarin het geestelijke zich incarneert in het aardse leven. Minder dan andere kunstvormen is muziek bepaald door het materiële. “Wanneer de mens in het muzikale element leeft, leeft hij in een afspiegeling van zijn geestelijke oorsprong. In dit schaduwbeeld van de geestelijke wereld beleeft de ziel de hoogste verheffing, de innigste verhouding tot het oerelement van de mens. Dat is de reden dat muziek ook op de meest eenvoudige ziel zo diep inwerkt.”

Zingen is de oervorm van de muziek. Het zingen van klinkers, de vocalen, is daarbij het meest-geestelijke element, het lichaam vormt de medeklinkers (consonanten). “Wanneer we vocaliseren, drukken we eigenlijk dat wat in de ziel leeft naar het lichaam toe, terwijl het lichaam door er het consonanten-element aan toe te voegen enkel het muziekinstrument vormt. U zult beslist het gevoel hebben dat iedere vocaal een direct-levende zielekwaliteit heeft en dat het element van de vocalen ook op zichzelf staand te gebruiken is; het consonanten-element daarentegen heeft voortdurend een sterk verlangen naar het vocale. Het plastische instrument van ons lichaam is eigenlijk iets doods, wanneer het niet door het vocale, het ziele-element wordt aangeslagen.”

Zoals in de wetenschappelijke studie van “The singing Neanderthals” stelt ook Steiner dat het menselijk spreken uit een zang-taal is voortgekomen: “In de loop van de historische ontwikkeling van de mensheid is de taal eigenlijk voortgekomen uit iets wat oorspronkelijk een zang-element was. Hoe verder we teruggaan in voorhistorische tijden, des te meer lijkt het spreken op het recitatief en tenslotte op het zingen. En in heel oude tijden van de ontwikkeling van de mens vertoonden zijn uitingen in klank en toon geen enkel verschil tussen zingen en spreken, maar waren ze één.” Steiner wijst ook op de grote eenheid van spreken en zingen in het oude Griekse drama. Het ritmisch bewegen in de dans hoorde daar overigens ook steeds bij.

De geest laten stromen

Zoals alles in ons leven is ook het zingen een voorwerp van menselijke techniek geworden. Dat kan de kwaliteit van de zang verhogen en de mogelijkheden van de stem verruimen, maar het houdt het gevaar in dat we het zingen losmaken van zijn bron.
Steiner: “Doordat we op aarde alleen door middel van de lucht kunnen spreken en zingen, vinden we in de luchtvorm van het toonelement de aardse afspiegeling van iets wat in feite een geest-zielegebeuren is. Het geest-zielekarakter van de toon maakt in feite deel uit van de bovenzinnelijke wereld. En wat hier in de lucht leeft is in de grond van de zaak het lichaam van de toon.”

Dat de mens in staat is muziek te maken, te zingen, en ernaar te luisteren, ligt aan het feit dat hij de klanken al in zich heeft. Bij zijn geboorte krijgt hij die mee vanuit de geestelijke wereld “die vol stromende tonen is in een diepe stilte”. Gedurende de nacht verblijft de mens ook in deze geestelijke wereld en vernieuwt daar zijn kracht om de tonen tot klank te brengen in zijn lichaam. Dat verklaart het aangename gevoel dat mensen hebben bij het zingen, tenminste wanneer het zingen gebeurt vanuit deze geestelijke kracht en niet vanuit een zuiver lichamelijke inspanning.

De Zweedse Valborg Werbeck-Svärdström (1879-1972) heeft in samenwerking met Steiner een zangpedagogiek ontwikkeld die het innerlijk horen als uitgangspunt heeft, niet allerlei lichamelijke technieken. De technieken staan in dienst van het innerlijke horen.  In Nederland zijn er zangpedagogen die vanuit deze principes werken. Patricia van Oosten geeft op internet een uitgebreide verantwoording daarvan en beschrijft de methode die zij gebruikt (http://www.healing-sound.nl).

Zoals Steiner zelf stelde moet je nooit ideeën overnemen die je niet vanuit je eigen ervaring kunt onderbouwen. Zo moeten we dan ook zijn opvattingen bekijken en waarderen. Zijn theorie is door de tijd getekend en slechts weinigen zullen helemaal met hem meegaan. Het is wél een fascinerend denken dat misschien licht werp op eigen ervaringen. Zelf ervaar ik dat er muziek is waarmee ik als vanzelf meeresoneer en zonder inspanning en met groot genoegen zing, terwijl er andere muziek is die me sterk vermoeit en weinig plezier geeft. Ook merk ik dat ik zangers veel sterker waardeer als zanger als het persoonlijkheden zijn die vanuit een diepe warmte zingen. De hoge C als acrobatische prestatie vind ik knap, maar ze raakt me alleen als ze als vanzelf uit het innerlijke opklinkt.


Jacob Israël de Haan (1881-1924), Nederlands Joods schrijver, jurist en politicus, schreef in de tijd van Steiner onderstaande kwatrijnen. Je herkent hierin gelijkaardige gedachten.

Ik voel 't Lied weer door mijn hart drijven.
Nog ben ik door Schoonheid bekoord.
En wijl wij onze liederen schrijven,
Schrijft God Zijn Eeuwig Woord.

Gods Eeuwig Woord, wie zal 't vertalen
In de machteloze woorden van ons lot.
En toch in ieder ademhalen
Geeft zich de Adem van God.

Geen opmerkingen: