Welkom

Beste Lezer,

Al enige tijd filosofeer ik over zingen. Dat was in eerste instantie voor de Nieuwsbrief van het Roois Gemengd Koor waar ik al lang bij zing.

Ik dacht over dat onderwerp wel wat te vinden in de filosofische literatuur, met name bij fenomenologen, maar dat viel tegen. Over taal is er al veel geschreven door filosofen, ook over muziek is wel gefilosofeerd, vooral over het effect daarvan op luisteraars, maar over het feit dat mensen zingen is nauwelijks iets te vinden. Daarom besloot ik zelf maar te gaan zoeken, denken en schrijven.

Dat heeft geresulteerd in een aanzienlijk aantal stukjes voor de Nieuwsbrief van het koor. Hoewel het denkproces nog niet af is naar mijn gevoel, wilde ik mijn ideeën toch beschikbaar stellen voor een groter publiek. Een boek zit er voorlopig niet in. Het Nederlandstalig publiek is daarvoor te klein en een subsidieaanvraag werd afgewezen. Daarom deze blog.

Ik zal de stukjes die ik schreef in een herziene versie hierop publiceren. Ik hoop dat mensen die op één of andere manier bezig zijn met zingen er wat aan hebben. Ook hoop ik dat mijn gedachten aangevuld worden door lezers vanuit hun eigen deskundigheid. Ik ben geen musicoloog en kwam bij het schrijven ook de grenzen van mijn deskundigheid tegen. Anderen kunnen het denkproces verder helpen, zodat dit een onderneming wordt van meer mensen. Misschien leidt dit ook tot een echte samenwerking.
Als je wil reageren of een stuk wil toevoegen, klik dan op ´reacties´na één van de stukken.

Denk eraan dat deze teksten beschermd zijn door het auteursrecht. Gelieve alleen teksten over te nemen na mijn toestemming. Neem daarvoor met mij contact op.


Als toetje neem ik regelmatig gedichten op bij de afleveringen. Als er geen naam bij staat is het van mezelf.

Op de blog staan de bijdragen in omgekeerde volgorde. In het archief heb je een overzicht in de logische volgorde als je ook de voorgaande maanden opent.

maandag 12 december 2011

19. Zingen als waagstuk

Aan de hand van Martin Heidegger denk ik verder na over de diepere betekenis van het zingen. Hij heeft het over het spreken, met name over de poëzie die voor hem het wezen van het spreken het beste realiseert. In zijn lezing Wozu Dichter? doet hij dat weer aan de hand van een gedicht van Rainer Maria Rilke uit de laatste jaren van zijn leven. Ook nu neem ik de vrijheid eigen gedachten te vermengen met die van Heidegger. Ik betrek deze gedachten verder op het zingen in de letterlijke betekenis en leg verband met eigen ervaringen en met wat ik zelf hoor en zie bij zingende mensen.  

Het waagspel van het leven

Het leven is een waagspel, een gebeuren met veel risico’s. Dat is een belangrijk karakteristiek van levende wezens in vergelijking met dode dingen. Wie zich verdiept in de astronomie zal deze tegenstelling relativeren, want hij beseft dat het ontstaan van sterrenstelsels, zonnen en planeten ook een riskant gebeuren is. Voor de dagelijkse ervaring van mensen is dit echter ver weg, terwijl hij de risico’s van het leven rondom zich ziet en aan den lijve ervaart. 

Heidegger heeft deze visie op het leven o.a. verwoord in een uitgebreid commentaar op een gedicht van Rilke, die dit overigens zag als ‘geïmproviseerde verzen’. Rilke stelt daarin de werkelijkheid voor als een groot waagspel dat gespeeld wordt in de natuur buiten de mens, maar vooral ook in de mens, met als hoogtepunt de ademtocht van het spreken. Zekerheid vindt de mens alleen als hij zich overlevert aan dit grote spel zonder vaste bescherming.


Wie die Natur die Wesen überlässt
dem Wagnis ihrer dumpfen Lust und keins
besonders schützt in Scholle und Geäst,
so sind auch wir dem Urgrund unsres Seins
nicht weiter lieb; es wagt uns. Nur dass wir,
mehr noch als Pflanze oder Tier
mit diesem Wagnis gehn, es wollen, manchmal auch
wagender sind (und nicht aus Eigennutz),
als selbst das Leben ist, um einen Hauch
wagender...Dies schaft uns, ausserhalb von Schutz,
ein Sichersein, dort, wo die Schwerkraft wirkt
der reinen Kräfte; was uns schliesslich birgt,
ist unser Schutzlossein und dass wirs so
ins Offne wandten, da wirs drohen sahen,
um es, im weitsten Umkreis irgendwo,
wo das Gesetz uns anrührt, zu bejahen.

Rilke, Späte Gedichte 1935 (juni 1924)


In een vertaling naar de inhoud:

Zoals de natuur de wezens uitlevert
aan het waagnis van hun onbewuste lust 
en geen van hen bijzonder beschut in aardkluit of takkenloof,
zo worden ook wij niet verder gekoesterd
door de oergrond van ons zijn; het stelt ons in het wagen.
Alleen gaan wij, meer dan plant of dier
met dit wagen mee (en niet voor eigen vertier)
zoals het leven zelf is, zelfs een ademtocht meer…
Dat verschaft ons, buiten alle bescherming,
een zekerheid, daar waar de aantrekking
van de zuivere krachten werkt; 
wat ons uiteindelijk geborgenheid geeft
is dat wij onbeschermd zijn en dat wij ons zo
naar de openheid wenden, al zien wij haar als bedreiging,
om ze in de wijdst mogelijke omvang,
wijl de wet van het leven ons raakt, te aanvaarden



We zien het waagspel van het leven duidelijk bij dieren en planten. Vanuit hun levensdrift planten zij zich voort met de inzet van alles wat zij zijn. Daarbij speelt geen bewuste keuze maar ‘dumpfen lust – onbewuste lust’. Van het vele zaad en nageslacht overleeft slechts een zeer klein deel. Het leven is hard, de natuur draagt geen zorg voor wat leeft, maar levert planten en dieren over aan het wel en wee van de omstandigheden en aan hun eigen wil om te overleven. 

Dat geldt ook voor het menselijk leven. Zeker als je de hele mensengeschiedenis overziet, is duidelijk hoeveel inspanning mensen hebben geleverd om zichzelf, hun familie en hun ras in stand te houden en met hoeveel strijd en verlies dit gepaard is gegaan. Mensen worden ‘in het leven geworpen’ en niet beschermd door wat hen in het leven zet. Ze zijn aan zichzelf overgeleverd in een wereld die, minstens op het eerste gezicht, liefdeloos is. 

Bij mensen wordt het waagspel van het leven echter een bewust gebeuren. Zelfs is het zo dat zij het dikwijls zelf zoeken en nog meer wagen dan het leven op zich van hen eist. Ook zonder dat hen dat iets oplevert zoeken mensen risico’s. Ze trachten hun grenzen te verleggen: ze beklimmen gevaarlijke bergen, verkennen oerwouden, springen met een valscherm uit een vliegtuig en drijven hun sportprestaties op. Ze gaan ‘een ademtocht’ verder dan nodig is. 

Bij die ademtocht denkt Heidegger uitdrukkelijk aan het spreken en waarschijnlijk heeft ook Rilke dat bedoeld. Spreken is een waagstuk waarmee mensen hun grenzen overschrijden. We kunnen daarbij denken aan de relaties die mensen aangaan met de taal en aan hun streven om met de taal de wereld in kaart te brengen en te beheersen. Met spreken geef je je bloot en ben je kwetsbaar, hoewel je het ook weer als wapen kunt gebruiken om de ander eronder te krijgen. Wie dit doet moet zich echter voorbereiden op de tegenaanval. 

Bij gedichten ligt dit nog gevoeliger. De dichter Rilke heeft zelf intens ervaren welk een waagstuk het is om je aan de poëzie over te leveren, hoe heel je leven daardoor op de helling kan komen te staan. Toch is dit de enige manier om echte zekerheid in het leven te vinden. Daar waar alle bescherming voor een mens ontbreekt is het niet zinvol een schijnbare bescherming op te bouwen, bijvoorbeeld door geloof, bezit of macht. Je kunt ook de onzekerheid ontvluchten door je in activiteit of vertier te storten. Maar dat alles levert uiteindelijk geen echte zekerheid op en leidt tot geweld of oppervlakkigheid. 

Wie eerlijk naar het leven kijkt en de stand van zaken echt onder de ogen durft te zien, weet dat we geen vaste grond onder de voeten hebben. De aarde beweegt, alles wat we zijn en hebben is tijdelijk en ook onze kennis en onze overtuigingen veranderen.  Echte zekerheid vindt een mens alleen als hij zich overlevert aan ‘Die Schwerkraft der Reine Kräfte’, de aantrekking van de zuivere kracht, de open ruimte die wenkt hoewel ze ook angst aanjaagt. 

De wet van het leven is die van de vergankelijkheid en alleen wie zich daar ten volle aan overgeeft vindt zekerheid. Volledig meegaan in het waagspel van het leven en van de werkelijkheid geeft uiteindelijk geborgenheid en zin aan het leven.
Het is een visie die zeer ‘religieus’ is, in de zin dat de verbondenheid van mensen met het grote geheel in deze visie zeer belangrijk is. De klassieke godsdiensten zijn voor Rilke en Heidegger echter niet meer geloofwaardig.

Zingend bewegen

Zingen past helemaal in dit waagspel van het leven en is er wellicht de meest zuivere uitdrukking van. Zingen is bij uitstek bewegen. Het is een gebeuren dat er even is en voorbijgaat: als de klank uitgestorven is blijft er niets tastbaar over, ook geen kennis of denkbeelden, alleen een gevoel. De ontdekking van registratietechnieken  - grammofoon, geluidsband, compact disc of ipod - heeft de situatie wel ingrijpend veranderd; het zanggebeuren kan nu bewaard worden en eindeloos weergegeven. Dat heeft ook zijn weerslag op het zingen. Toch verandert de ervaring van het zingen er niet wezenlijk door. De weergave van een zanggebeuren is iets anders dan het zingen zelf. Net zoals foto’s van een vakantie iets anders zijn dan de vakantie zelf. 

Het is al verschillend om live een concert mee te maken of hetzelfde concert later terug te beluisteren van een opname. Voor de zangers zelf is dit verschil nog veel groter en wezenlijker. Zingen is spannend en slorpt je helemaal op. Je hele lijf gaat erin mee. Terwijl je zingt kun je niet of nauwelijks denken. Daarin verschilt het duidelijk van spreken, waarbij je al kunt denken aan de volgende zin die je gaat spreken en zelfs aan allerlei andere zaken, zoals de bus die je nog moet halen of de boodschappen die je nog moet kopen. Als je echt volop zingt dan is er geen ruimte voor al die zaken. 

Daarom is zingen niet alleen spannend, maar ook ontspannend. Dat is vooral zo als je je helemaal kunt overleveren aan het zingen. Dat lukt pas als de technische problemen ervan achter de rug zijn: als je stem goed zit, als de omgeving geschikt is en als je de partituur beheerst. Dan kun je je helemaal overleveren aan de vreugde of verdriet, de verliefdheid of de woede die in het zangstuk tot uiting komen.

Wie zingt is ook kwetsbaar. Dat geldt zelfs voor strijdliederen. Wie durft die alléén zingen? Die zing je in groep en dan ben je stoer.  Wie zich schrap moet zetten kan niet zingen. De adem stokt hem in de keel. Als je alleen zingt ben je altijd kwetsbaar, je geeft jezelf bloot en laat meer zien dan je eigenlijk wil. Is het daarom dat er zo uitbundig gezongen wordt in de badkamer? Slechts weinig mensen zonder speciale scholing zingen gemakkelijk alleen, de meeste hebben een groep nodig waarin ze opgaan en zich enigszins kunnen beschermen. Een weergave van wat in ons hele leven speelt: het is voor de meeste mensen bedreigend om alleen door het leven te gaan.

Met alle risico’s die het inhoudt is zingen tegelijk bevrijdend. Allerlei barrières verdwijnen: verschillen van stand of intellect. Ook verschillen van taal verdwijnen dikwijls naar de achtergrond, omdat de zangtaal ook zonder de spreektaal mogelijk is. Ook barrières in jezelf kun je met zingen overwinnen: verdrongen gevoelens, oud zeer. Zingen kan daardoor soms sterk helend zijn en mensen meer tot zichzelf brengen omdat ze zich laten gaan.

Als we spreken houden we de zaken meer in de hand: overtuigingen, maatschappelijke structuren, relaties. Met zingen begeven we ons op een meer elementair niveau van het leven, waar gevoelens domineren en het denken naar de achtergrond verdwijnt. We laten ons meer gaan met de stroom van het leven, leveren ons meer over aan het waagspel dat het leven is.

Juist dat kan een diepe rust en vreugde geven, veel sterker dan de zekerheden die het denken geeft.  Met denken en spreken ordenen we de wereld en zoeken we naar vaste zekerheden. Dat heeft prachtige resultaten opgeleverd van wetenschappelijke kennis en technisch vernuft, maar we betalen met haast en spanningen en met het verlies van zin en vreugde in het leven. Met zingen gaan we in de oerbeweging van het leven en de werkelijkheid staan en kunnen daar nieuwe energie en zin vinden om in dit leven mee te bewegen. We gaan mee met het waagstuk van het leven.

Vele jaren geleden al schreef ik een tekst die ik ´mythe´ noemde: Toen de vaste grond wegviel. Hij is opgenomen in mijn dichtbundel  Dichter bij jou (2009, in eigen beheer). In deze mythe heb ik deze gedachten verbeeld en verwoord. Ze besluit met een koraaltekst , die ik hier in aangepaste vorm opneem.
 
Wij zoeken naar een vaste grond
om huizen op te bouwen,
naar mensen om in vast verbond
voor altijd te vertrouwen.
Steeds weer kost het ons eeuwen tijd
en angst om te ontdekken:
niets kan zich in de wereld wijd
aan wenteling onttrekken.

Wie meegaat in dit grote spel
van eindeloos bewegen,
vindt mettertijd de rust weer wel,
heeft kracht in zich gekregen
om in het lied van het bestaan
ook zingend zich te mengen
en wat gebeurt - met lach of traan -
steeds klinkend te volbrengen.

Deze tekst is o.a. te zingen op de melodie van gezang 474 van het Liedboek van de Kerken, mits een ontdubbeling van de slotnoot op het einde van de even regels, waardoor het lied meteen een stuk minder ' staat' .

Geen opmerkingen: